Historie van de kerk

De eerste vermelding van de Aa-kerk stamt uit 1246: in een brief van Otto III, bisschop van Utrecht, werd bevestigd dat de bestaande kapel voortaan als parochiekerk zou functioneren. Op de plek waar eerder waarschijnlijk een houten kapel had gestaan, stond nu een stenen kruiskerk ter ere van Maria en Sint Nicolaas. Maria had haar naam aan de kerk gegeven, namelijk Onze Lieve Vrouwe ter Aa, hetgeen verbasterd werd tot Der Aa-kerk. Sint Nicolaas was de beschermheilige van de schippers, die vlakbij aanmeerden.

De twaalfde eeuwse kerk was waarschijnlijk een kruisbasiliek in romanogotische bouwstijl, hetgeen blijkt uit archeologisch onderzoek: aan de oostzijde van het dwarsschip zijn de fundamenten van twee halfronde absiden teruggevonden en in de wanden zien we nog sporen van deze uitbouwen. De kerk had vermoedelijk een inpandige toren. Deze gegevens laten veel overeenkomsten zien met de Martinikerk, waarvan de bouw bijna tegelijk liep met die van de Aa-kerk; toen de Martinikerk in 1400 het koor vergrootte, volgde de Aa-kerk in 1425 met een hoger koor dat verder naar het oosten was uitgebreid. Aansluitend volgde de vergroting en verhoging van de rest van de kerk tot de ruimte zoals we die nu nog aantreffen, afgezien van de ‘westwerkachtige’ aanbouw die in 1710 verdween.

De gewelven werden vervolgens rond 1495 beschilderd; restanten van rankwerk en een enkele figuratieve schildering zijn op de gewelven van de kooromgang nog aanwezig. De belangrijkste schilderingen bevinden zich echter op de gewelven van het dwarsschip, waarop de Verrijzenis uit het graf (zuid), de Verschijning aan Maria Magdalena (west), de Emmausgangers (noord) en de Uitstorting van de Heilige Geest (oost) zijn afgebeeld. Dit valt samen met de rijke schildering van ranken rond de sluitsteen en de kleurrijke afwerking van de gewelfribben en scheibogen. Op de gewelven van de transeptarmen zijn de parafernalia van het lijden (Arma Christi) van Christus afgebeeld. Ook het schipgewelf dat aansluit bij de viering bezit nog figuratieve schilderingen. Later, in de reformatorische tijd, zijn er ‘tekstdoeken’, gevat in geschilderde cartouches, op de ronde kolommen tussen het hoogkoor en de kooromgang aangebracht. Bij de restauratie bleken er twee doeken over elkaar te zijn geschilderd. De oudste, daterend uit het begin van de 17e eeuw, is gerestaureerd.

Het interieur onderging met de invoering van de reformatie in Groningen, in 1595, een grote verandering. De protestantse inrichting van de kerk was sober; altaren werden verwijderd en de gewelven witgekalkt. Toch verliep dit allemaal rustig en was er geen sprake van een ‘beeldenstorm’. Geleidelijk werd de kansel nu het centrum van de kerk; het na 1603 voor de Avondmaalsviering gebruikte koor werd door een koorhek afgescheiden. In 1643 werd boven dit hek het Raadsgestoelte aangebracht maar de onderdoorgang naar het koor bleef gehandhaafd. Veel later volgde vanwege tocht een volledige afscheiding met houten schotten (kooromgang, 1782) en een glazen pui (koorlichtbeuk, 1838).

De toren van de Aa-kerk werd tweemaal verwoest: in 1671 stortte hij in na een brand, in 1710 stortte de toren spontaan in. Bij deze laatste instorting werd ook het orgel verwoest. De huidige barokke torenbekroning kwam in 1712 tot stand naar een ontwerp van Allert Meijer, in 1815 werd het orgel uit de Broerkerk naar de Aa-kerk overgebracht.

Tijdens restauratiewerkzaamheden in de twintigste eeuw werden er maatregelen van constructieve aard getroffen, om te voorkomen dat de kerk in verder verval raakte. Ook onvolkomenheden die in de loop van de eeuwen waren ontstaan, zoals de gietijzeren ramen en de plaats van het raadsgestoelte, werden gecorrigeerd.

volledige kerkbeschrijving